In mijn omgeving zie ik veel mensen zorg dragen. Ik zie hoe mensen mogen leunen op anderen als het moeilijk is en dan weer verder kunnen. Het inspireerde me om een verhaal te schrijven: voor iedereen die een Lilly nodig heeft als het stormt, voor iedereen die een Lilly is als het stormt bij iemand die je liefhebt.
“Er was eens een schelpje. Ze heette Lilly. Ze bestond uit 2 schelpen die de mooiste schakering aan aardetinten hadden. In de binnenkant verschool ze een hart dat zo groot was dat het soms amper in haar schelpjes paste.
Schelpen leven meestal heel diep, op de bodem van de zee. Daar waar de weidsheid van het water toch afgebakend is. Waar het ook heel donker is en door het mulle zand vaak troebel. Schelpen zoeken een plekje uit heel diep op die bodem waar ze zich stevig aan vasthouden, daar leven ze. Hoewel een schelp nooit de enige schelp is en er heel veel soorten schelpen zijn, leiden ze vaak een bestaan op hun eentje.
Voor schelpje Lilly ging dat vaak net iets anders. Lilly was nieuwsgierig, ze wou leren over de hele onderwaterwereld, maar ook over alles daarboven. Ze wou alles weten. Weet je nog dat grote hart van haar? Ze voelde het. Vanop kilometers afstand kon ze voelen wanneer een andere schelp in nood was, in een storm was terecht gekomen of in dat stuk van de zee waar groot verdriet huist.
Dat zorgde ervoor dat Lilly er vaak op uit trok: andere schelpen in nood tegemoet. Ook al wist ze nooit van tevoren of ze de andere schelp zou kunnen vinden en of die haar dan zou toelaten om deze storm, nood of groot verdriet samen aan te kijken. Ze kende de andere schelpen nooit voor ze hen vond, maar ze wist dat ze kon vertrouwen op haar grote hart. Schelpen willen het altijd op hun eentje oplossen maar Lilly had geleerd dat samen, beter is. Zo wist ze ook dat een storm of groot verdriet je vaak blijven achtervolgen als je niet voldoende tijd neemt om er even bij te blijven drijven. Ze had ook geleerd dat de kracht van om het even welk hart gelijk is aan de kracht van de storm. Op het moment dat de storm hevig tekeer ging leken veel schelpen dit te vergeten.
Lilly begreep dat. Ze wist als geen ander dat de golven soms zo hoog worden dat het pijn doet als ze op je inslagen. Dat het water zo woelig is dat je weggerukt wordt uit je vertrouwde omgeving en het beangstigend is als je maar geen vaste grond lijkt te vinden. Dat je zo diep op de bodem van de zee terecht bent gekomen dat het duistere alles is wat je nog omringd en je nergens nog een uitweg lijkt te zien. Dat je zo moe bent dat je helemaal overgeven aan het water en de wispelturigheid van de storm de enige oplossing lijkt te zijn. Dat je soms niet kan voorkomen dat je schelpjes openbarsten en het zoute water ook je binnenkant pijn doen.
Lilly merkte dat een andere schelp soms te lang onder bleef. Dat een andere schelp zich in zijn alleen zijn, eenzaam en wanhopig voelde. Of dat de angst hen om hun schelpjes vloog en ze zich verloren voelden, niet meer wetend welke kant uit of wat te doen. Lilly kon het horen als een andere schelp aan het schreeuwen was maar tegelijk zijn schelpjes keihard op elkaar hield om geen lawaai te maken.
Lilly haastte zich naar de andere schelpjes in nood toe en gaf ze een rustpuntje in de storm. Ze hield de andere schelpjes vast terwijl ze zei dat het goed weer goed zou komen. Ze droeg hen net zolang tot zij weer zelf verder konden. Terwijl ze dat deed fluisterde ze nog enkele lieve woorden toe. Ze vertelde met de meeste zachtheid en geruststelling in haar stem dat de golven niet altijd een gevecht hoeven te zijn. Dat het water niet hun vijand is en dat je je er ook kan laten door omhelzen, dragen. Dat er tussen de volheid die vloed met zich meebrengt en de leegte die eb meebrengt, deining is. Dat je hart gewiegd mag worden, ook als het zwaar voelt. Dat je gekoesterd mag worden, zoals je bent. Dat het water je ziel en je hart mag strelen. Dat net het water je ook weer thuis zal brengen, ook al is dat misschien niet meer de plek die het voorheen was. Dat je lichtheid mag voelen ook al voelt de druk van buitenaf zo groot.
Als de andere schelpjes weer rust hadden kunnen vinden, ging Lilly weg. Lilly had geleerd dat schelpjes beter voor zichzelf zorgen als het goed gaat en ze haar dan niet zo hard nodig hadden. Hoewel de afstand door Lilly haar verre reizen soms heel groot was konden de andere schelpjes ook vanop die grote afstand nog steeds troost vinden. Ze dachten terug aan toen ze nabij was, aan haar woorden. De warmte en zachtheid in haar stem. De geruststelling en de gedragenheid die ze met zich meebracht als ze je vasthield. En haar ongeziene grote hart. Daaraan terugdenken gaf de schelpjes glimmers van hoop in tijden van hopeloosheid, storm en verdriet.”
